Er is deze dagen geen gebrek aan 'vredesplannen' in alle soorten en maten voor het Israëlisch-Palestijns (of Israëlisch-Arabisch, zo U verkiest) conflict. Ik ga de lezer niet vervelen met er het mijne aan toe te voegen.
Inplaats daarvan zal ik een andere vraag trachten te beantwoorden: hoe zal de resolutie van het conflict (onafhankelijk van wie de geschiedenis zal ingaan als de vader of moeder ervan) er in de praktijk uitzien?
De gave van de profetie is deze dagen voorbehouden aan kinderen en narren, en schrijver dezes is dus (hopelijk) gediskwalificeerd.
Wat een wetenschapper echter doet als hij iets niet nauwkeurig kan meten (of berekenen) is de waarde afschatten, m.a.w. het interval aangeven waarbinnen de oplossing redelijkerwijs kan variëren. Laat mij trachten hier hetzelfde te doen.
Laten we met het makkelijkste beginnen. Een algemeen (en in mijn ogen correct) bezwaar tegen 'ontruiming onder vuur' daargelaten, denk ik dat de evacuatie van de enkele duizenden Joodse 'settlers' in de Gazastrook als onderdeel van een akkoord geen onoverkomelijke politieke problemen stelt. Hun aanwezigheid daar is Israël meer tot last dan tot hulp, wegens alle resources die moeten toegewijd worden aan hun beveiliging.
Ik denk dat er weinig twijfel bestaat dat als onderdeel van een eindakkoord de Joodse nederzettingen in Gaza zullen ontruimd worden. Als er al een andere uitkomst is, zal die hoogstwaarschijnlijk bestaan uit een tijdelijke verpachting aan Israël van landat d de jure onder Palestijnse soevereiniteit komt. (Hiervoor bestaan precedenten --- o.m. kleine betwiste grensgebieden tussen Israël en Jordanië, die momenteel onder Jordaanse soevereiniteit staan maar door Israël voor een periode van 25 jaar zijn gepacht.) Het enige geval waarin zulks me economisch zinvol lijkt zijn de hydroponische tuinbouwbedrijven van Alei Katif --- en zelfs in dat geval lijkt het me rendabeler hen naar de Negev te verkassen.
Israël heeft steeds teruggedeinsd voor een annexatie van deze gebieden, omdat het niet met een demografische tijdbom wou opgescheept worden. Anderzijds was Israël niet te vinden voor een éénzijdige 'teruggave' (aan wie overigens? De West Bank was in 1949 éénzijdig door Jordanië geannexeerd), zowel wegens het gevoel dat de West Bank broodnodige 'strategische diepte' verleende voor de 'wespetaille' van Israël (nabij Netanya is Israël welgeteld 13 kilometer breed!), als wegens de emotionele en religieuze banden die veel Israëli's hebben met wat uiteindelijk ooit het hartland van Het Koninkrijk Israël was (Judea en Samaria).
Sinds de Oslo-akkoorden bevond 98% van de Palestijnse bevolking zich onder rechtstreeks burgerlijk bestuur van de Palestijnse Autoriteit. De evolutie in haar houding ten aanzien van terreuraanvallen creëerde echter een situatie waarin het Israëlisch leger en de Shin Bet (onze Staatsveiligheid) van lieverlede bijna dagelijks in de 'autonome' gebieden opereren.
Honderden Joodse nederzettingen liggen kriskras door de West Bank verspreid. Bij nader inzien vallen die evenwel grosso modo uiteen in vier categorieën:
(a) grote nederzettingen op pendelafstand van Israëlische bevolkingscentra, en dus ook nabij de Groene Lijn, Schoolvoorbeelden zijn Ma`ale Adumim (een stad van 35.000 inwoners in de Woestijn van Judea, enkele minuten rijden van Jeruzalem) en Ariel (een stad van 25.000 inwoners niet ver van Randstad Tel-Aviv).
(b) clusters van kleinere nederzettingen dichtbij de Groene Lijn. Gush Etzion ten zuidoosten van Jeruzalem is het schoolvoorbeeld, maar plaatsjes zoals Elkana en Alfei Menashe naast de 'wespetaille' liggen ook min of meer in die categorie. Bevolkingsaantallen per individuele nederzetting lopen uiteen van enkele honderden (Tekoa) tot een goede zesduizend (Efrat).
(c) ideologische nederzettingen diep in de West Bank, in Arabische bevolkingsconcentraties. Dit maakt het grootste aantal nederzettingen uit, maar elk op zich hebben deze bevolkingsaantallen van enkele honderden (Kfar Tapuach) tot vijf man en een paardekop (Havat Ma`on). De grote uitzondering op de regel is Kiryat Arba nabij Hebron, met enkele duizenden. Onder de bewoners van deze nederzettingen bevinden zich, naast echte idealisten, ook wat ik diplomatiek als 'kleurrijke' elementen zal omschrijven, gaande van Amerikaanse en Franse religieuze fanatici in Kiryat Arba tot de Russische artiestenkolonie in Sa-Nur.
(d) Uitposten van de Nachal (soldaat-landbouwerbrigade van de IDF) op strategische plaatsen, in het bijzonder in de (wegens het onherbergzaam klimaat dunbevolkte) Jordaanvallei.
Voor potentiële ontruiming stelt (d) de minste politieke problemen, aangezien soldaten geacht worden bevelen op te volgen. Het kan om strategische redenen evenwel aangewezen zijn een aantal 'early warning stations' te handhaven in de Jordaanvallei, eventueel bemand door waarnemers uit derde landen (bv. de USA).
Categorieën (a) en (b) vertegenwoordigen een 75 à 80% van de Joodse inwoners van de West Bank, maar slechts 6 à 10 % van het oppervlak. Ontruiming van categorie (a) en (b) zal zware schadeloosstellingen vereisen voor de getroffen families (waarvan velen daar om louter economische redenen zijn gaan wonen): bovendien kan men in een aantal gevallen ernstige vragen stellen naar de strategische wenselijkheid of humanitaire noodzaak van ontruiming. (Een stad in het midden van een woestijn is niet hetzelfde als een nederzetting op een heuvel tussen een trits Arabische dorpen.) Ik voorspel dat in tenminste een deel van de gevallen onder (a) en (b) die plaatsen uiteindelijk door Israël zullen geannexeerd worden.
Het is categorie (c) waarvoor ik uiteindelijk geen andere oplossing zie dan ontruiming. Zij creëren permanente wrijvingspunten met de Arabieren en zijn in strategisch opzicht meer last dan hulp, aangezien zij voor hun bewaking duizenden soldaten 'binden' die anders elders konden ingezet worden. Omwille van hun kriskras verspreide ligging maken zij het in essentie onmogelijk een territoriaal aaneengesloten Palestijnse staat of autonoom gebied te creëren en vormen dus een recept voor leuzen over 'Bantoestans'. Bovendien gedraagt een kleine minderheid onder de inwoners van (c) (waaraan de media helaas onevenredig veel aandacht schenken) zich op een zodanige manier dat ik mij soms afvraag of het propagandaministerie van de PLO provocateurs onder hen geïnfiltreerd heeft. (Zelfs door de wol geverfde settler-leiders als Aharon Domb zich openlijk afvroegen of 'we er niet beter aan zouden doen om het onkruid onder ons uit te wieden'.)
Mijn voorspelling is dat in een eindakkoord tussen de 80 en 100% van de West Bank (anders gezegd: 90±10%) aan een Palestijnse staat zal toekomen, en dat dit de ontruiming van de meeste, zoniet alle, nederzettingen in categorie (c) en mogelijk (d) zal inhouden. Aan de settlers hiervan (een minderheid van 20 à 25% van het totaal) kan financiële compensatie en alternatieve huisvesting worden aangeboden, hetzij binnen de Groene Lijn, hetzij in grotere nederzettingen die voor annexatie bestemd zijn.
Ook voorspel ik dat de meeste, zoniet alle, nederzettingen in categorie (a) en (b) uiteindelijk in Israëlische handen zullen blijven, hetzij via annexatie, hetzij via een langdurige pacht door Israël.
Eventueel kan ook territoriale compensatie (met kleine gebieden binnen de Groene Lijn) in het spel komen. Vier mogelijkheden die werden geopperd in het verleden: (a) de overdracht van de aan de Gazastrook grenzende Chalutza-duinen aan de Palestijnen, teneinde een uitbreidingsmogelijkheid te bieden aan de overbevolkte Gazastrook; (b) kleine gebieden aan de zuidrand van de Heuvels van Hebron die nu binnen de Groene Lijn liggen; (c) overdracht aan de Palestijnen van de 'Arabische Driehoek' rond Umm-Al-Fachm in Galilea (helaas vinden de Israëlische Arabieren dat zelf maar niks: ik kan hun gebrek aan enthousiasme om in een Arafatistan te leven overigens wel zeer goed begrijpen); (d) een meer globale suggestie van prof. Shlomo Ben-Ami (gewezen minister van buitenlandse zaken), waarbij Israël stukjes Negev-Woestijn aan Egypte zou afstaan en Egypte een equivalente hap aan de Gazastrook grenzende Sinai-woestijn aan de Palestijnen zou afstaan.
Het bijzonder netelige probleem van de Oude Stad zal ik in de volgende paragraaf behandelen. Voor de andere wijken zie ik een aantal mogelijke uitkomsten.
Vooreerst lijdt het mijns inziens geen twijfel dat het vrijwel homogeen Joodse West-Jeruzalem, alsook na 1967 gestichte Joodse wijken in 'Oost'-Jeruzalem (Ramat Eshkol, Pisguat Ze'ev, Gilo), onder Israëlisch bestuur zullen blijven.
Verder zijn er een aantal Arabische wijken en dorpen (bv. Abu Dis) die door de Palestijnen als deel van al-Quds ("De Heilige [Stad]") beschouwd worden, maar buiten de door Israël aangegeven stadsgrenzen liggen. In dit geval lijkt toewijzing aan de Palestijnse staat mij de voor de hand liggende uitkomst.
Voor de Arabische en gemengde wijken van Oost-Jeruzalem bestaan een aantal mogelijke uitkomsten: de Clinton-aanpak ("wat Joods is naar Israël, wat Arabisch is Palestijns"), een deelgemeenten-structuur naar Londens of Brussels model met functionele autonomie voor elke deelgemeente maar de jure Israëlische soevereiniteit, of een referendum in elke wijk over of zij aan Israël of Palestina wil toebehoren. (Het resultaat van een dergelijk referendum in Arabische wijken staat niet bij voorbaat vast: in tegenstelling tot de Palestijnen in de West Bank hadden de Arabische bewoners van Oost-Jeruzalem (door Israël in 1967 de facto, en in 1981 de jure geannexeerd) volledige toegang tot het Israëlische sociale zekerheidsstelsel, en hun houding t.o.v. Israël is veel genuanceerder dan die van hun West Bank-broeders.)
Hier gaat het om een ommuurde stad met een relatief kleine oppervlakte (vergelijkbaar met de binnenstad van Hasselt of Brugge) die echter een in geen enkele verhouding tot zijn grootte staande symbolische waarde heeft voor aanhangers van de drie Abrahamitische g-dsdiensten. Inwoners van tenminste twee van de vier wijken (Armeense en Joodse) verkiezen de status quo, en de inwoners van de Christelijke Wijk beseffen heel goed dat vergeleken met hun potentiële status in een de facto islamitisch land (om van een Arafatistan nog maar te zwijgen) Israël beslist een kleiner kwaad is. (Overigens is de Joodse Wijk historisch steeds door Joden bewoond geweest, met een onderbreking van 1948 tot 1967 toen Jordanië het nodig vond daar een 'etnische zuivering' door te voeren.)
Wat de heilige plaatsen betreft, kunnen de Joden zonder twijfel de oudste rechten laten gelden. Arabische revisionisten ten spijt weten Arabieren dat zelf ook wel: één van de oudere Arabische namen voor Jeruzalem is trouwens Bat al-Maqdas, een verbastering van de Hebreeuwse naam voor de Tempel (beit ha-mikdash). De heiligste Joodse plaats, de Westelijke Muur (alias 'de Klaagmuur') is de Westelijke steunmuur van de Tempelberg (beter het Tempelplateau genoemd).
De meeste christelijke kerken aanzien de Kerk van het Heilig Graf als de plaats waar J.C. begraven werd en uit de doden verrees: sommige protestantse kerken beroepen zich op een andere begraafplaats buiten de Oude Stad. Wat er ook van zij, er bestaat geen twijfel aan dat het christendom een band met de Oude Stad heeft die tot het begin van onze tijdrekening teruggaat.
In tegenstelling tot de honderden keren dat Jeruzalem in de Joodse Bijbel (alias het Oude Testament, protestantse canon) en het zgn. Nieuwe Testament wordt vermeld komt de naam niet één keer in de Koran voor. De islamitische band met Jeruzalem beroept zich op een interpretatie van Soera 19 van de Koran. Wat er ook van zij, er staan sinds de Arabische Verovering in de 7e eeuw twee grote moskeeën op de Tempelberg, en alleen geflipte extremisten roepen op tot hun verwijdering,
Afgaande op de 'track record' van alle betrokkenen aangaande respect voor de heilige plaatsen van andere g-dsdiensten lijkt het mij persoonlijk evident dat de Oude Stad best onder Israëlisch bestuur zou blijven. Men kan echter opwerpen dat Israël een betrokken partij is (zij het dan met een dominante g-dsdienst die niet actief bekeerlingen werft) en dus geen neutrale arbiter kan zijn (wie dan wel overigens?).
Er bestaat echter een oplossing voor de soevereiniteitskwestie die voor alledrie de monotheïstische religies aanvaardbaar zou moeten zijn, en bovendien het bijzonder karakter van de plaats in de verf stelt. Zij werd reeds eerder (o.m. door Moshe Halbertal) geopperd over de Tempelberg, maar ik stel voor haar uit te breiden tot de hele Oude Stad.
Die bestaat erin om de plek onder de jure g-ddelijke soevereiniteit te plaatsen --- juist ja, niet van een door mensen geschapen staat, maar van Diegene die er vereerd wordt. Uiteindelijk aanbidden alledrie de betrokken religies dezelfde G-dheid, of ze Hem nu aanspreken als de Barmhartige en Genadige, als G-d de Vader, of bij één van de in het Jodendom gebruikte Namen. De facto bestuur zou kunnen worden waargenomen door een interreligieus en/of internationaal kleinstadsbestuur (een soort 'trilateraal Vaticaan') met ordehandhaving door een gemengde ordedienst van Israëlische, Palestijnse, en eventueel UN-politiemensen. Staatsburgerschap van de inwoners van de Oude Stad zou kunnen beslist worden door plebisciet in elk van de wijken apart, of door persoonlijke keuze van de betrokkenen voorzover zij stateloos zijn.
Israël kan zich permitteren vrij inschikkelijk te zijn over de West Bank en Gaza; Jeruzalem ligt moeilijker. Maar de ware 'deal breaker' is de Palestijnse eis op het 'recht' van de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen binnen de Groene Lijn.
De eis dat Israël alle afstammelingen van de ca. 650.000 Palestijnse vluchtelingen van de Onafhankelijkheidsoorlog binnen zijn grenzen zou teruglaten komt eerstens neer op een eis tot etnische zelfmoord vanwege de Joodse staat. Degenen die in naam van de 'progressieve' orthodoxie oproepen tot de schepping van één binationale staat (Israëstina? Israfatistan?) tegen de wil van minstens één van beide bevolkingsgroepen in hebben kennelijk niets geleerd uit Libanon of ex-Joegoslavië, om van de behandeling van niet-moslimminderheden in Islamitische landen nog maar te zwijgen. Tweedens had er in de periode 1948-1956 een vluchtelingenstroom in omgekeerde richting plaats, van Joden die uit Arabische landen werden verdreven of weggepest, en die in Israël een thuishaven vonden. De betrokken aantallen zijn minstens aan het Palestijnse vluchtelingenprobleem gewaagd. [Het feit dat Joden van Westerse origine van 1958 tot 1989 (het begin van de grote Russische immigratiegolf) een minderheid van de Joodse bevolking in Israël uitmaakten spreekt voor zichzelf.] Met andere woorden: we hebben hier te maken met een bevolkingsuitwisseling gedurende een oorlog en haar nasleep, zeker geen uniek verschijnsel in de geschiedenis en zeker niet universeel voor omkering vatbaar. (Of stelt men misschien voor om 8 à 10 miljoen etnische Duitsers terug in Polen en het voormalige Oost-Pruisen te vestigen, tegen de wil van de Polen en Russen in?)
Derdens zou het op zijn minst een historisch onrecht zijn om Israël als enige verantwoordelijk te stellen voor een vluchtelingenprobleem dat ontstond nadat vijf Arabische staten tegelijk een aanvalsoorlog tegen de kersverse staat begonnen en die verloren, en dat al die tijd door Arabische staten kunstmatig in het leven is gehouden.
Iedereen die denkt dat Israël ooit meer dan een symbolisch aantal vluchtelingen zal terug opnemen leeft mijns inziens in een droomwereld. Een eis van financiële compensatie zal uiteraard (en terecht) beantwoord worden met een tegeneis aangaande de door Joodse vluchtelingen achtergelaten (of van hen geconfisqueerde) eigendommen. De internationale gemeenschap zou een dergelijk programma kunnen financieren, maar dat geld lijkt me beter (en realistischer) besteed aan een economisch Marshallplan voor de nieuwe Palestijnse staat.
Uiteraard zal deze laatste in staat zijn haar eigen immigratiepolitiek te bepalen, inclusief opname van zoveel diaspora-Palestijnen als zij zelf wil.
Mogelijk bestaat de 'kool en geit sparende oplossing' in een akkoord dat het recht op terugkeer van vluchtelingen in principe erkent maar expliciet stelt dat dit (op eventueel symbolische aantallen na) niet verwezenlijkt kan worden binnen de grenzen van soeverein Israël. Figuren in het Amerikaans ministerie van buitenlandse zaken lijken in deze richting te denken.
Hier gaat het hoofdzakelijk om de zogenaamde 'Arabische driehoek' in het zuiden van Galilea. In recente tijden heeft zich een radicalisatieproces (of zou ik zeggen: een Palestinisatieproces) voorgedaan bij een deel van de moslims onder de Israëlische Arabieren. (Dit is veel minder het geval bij de kristenen.) Een aantal van hun meer extreme politici identificeert openlijk met de PA en haar terreur tegen Israël. Als gevolg daarvan beginnen sommige Israëli's zich de 'politiek incorrecte' vraag te stellen of Israël plaatsen als Oemm al-Fachm niet beter kwijt dan rijk is. Toen evenwel de geograaf Prof. Arnon Sofer een proefballon opliet over de overdracht van Umm el-Fachm en omstreken aan de Palestijnen als compensatie voor de grote nederzettingen, kon ik de protestkreten van de Arabische bewoners bijna tot in Rehovot horen.
Een mogelijke optie zou erin kunnen bestaan om enkele jaren na de stichting van de Palestijnse staat een plebisciet te houden in de Arabische driehoek. Hun enthousiasme om in een Arafatistan te leven ligt waarschijnlijk nabij het absolute nulpunt, maar mogelijk ligt dit anders als de Palestijnse staat enkele jaren onder een min of meer functionerend bestuur heeft gestaan. En als zij effectief beslissen bij Israël te blijven, zal dat zowel hen als de Joodse meerderheid hopelijk ertoe aanzetten met een schone lei te beginnen in hun onderlinge relatie.
Al het voorgaande zal echter een maat voor niets zijn zonder één simpele maar cruciale stap: een officiële verklaring vanwege de Palestijnen dat dit voor hun het definitief en onvoorwaardelijk einde van het gewapend conflict inhoudt, en dat alle eventuele verdere twistpunten met Israël alleen aan de onderhandelingstafel zullen beslecht worden. Daarzonder zal Israël in de schepping van een Palestijnse staat in het grootste deel van de West Bank en de Gazastrook alleen maar een tussenstap in een 'piece by piece process' zien, en terecht weigeren haar eigen doodvonnis te tekenen.
De hamvraag is natuurlijk of een formeel einde aan het gewapend conflict kan worden bereikt zolang Arafat zich nog op het toneel bevindt. Persoonlijk ben ik terzake zeer pessimistisch. Immers, de dag dat het conflict eindigt zal Arafat zich ermee moeten verzoenen dat hij niet langer de grote 'vrijheidsstrijder' is die overal ter wereld de rode loper krijgt uitgelegd (om van zijn narcistische fantasieën over zichzelf als de nieuwe Saladin nog maar te zwijgen), maar het zielig en incompetent dictatortje van een klein staatje. Hij is volgens mij (en mensen die de twijfelachtige eer hadden hem te ontmoeten) psychologisch niet in staat om deze stap te zetten.
Een aantal ambtenaren in de Amerikaanse regering zijn kennelijk tot de conclusie gekomen dat de enige mogelijke koers in het conflict erin bestaat Arafat's vertrek naar de Toekomende Wereld af te wachten, en intussen aan louter 'crisismanagement' te doen. (Gelet op Arafat's ontegensprekelijke overlevingstalent zou dat wel eens lang kunnen duren, ofschoon hij er werkelijk niet al te gezond uitziet --- zelfs dàt zou echter wel eens een manier kunnen zijn om zijn vijand het vel over de oren te trekken.) Mogelijk zal het probleem inderdaad op een lager of hoger pitje voortsudderen tot Arafat een natuurlijke dood sterft. Het kan zeker niet worden uitgesloten dat deze of gene figuur binnen de PA zich op een gegeven moment geroepen zal voelen tot 'actieve euthanasie' op Arafat. Dat hij zich vrijwillig zou laten wegpromoveren naar een louter ceremonieel presidentschap strookt niet met iemand die in bv. financiële aangelegenheden een extreem micromanagement praktiseert. Maar wie weet zal hij zijn dagen beëindigen in 'la douce France', net zoals die andere grote humanisten, Mobutu en Bokassa.
Persoonlijk denk ik dat daar minstens een generatie overheen zal moeten gaan: de politieke kloof tussen de betrokken drie staten gewoon te groot is, om van het kwaad bloed nog maar te zwijgen. Pas na een periode van democratisatie in Palestina en Jordanië, en nadat oude wonden de tijd hebben gehad te helen, zie ik een betekenisvolle politieke samenwerking plaatsgrijpen.
Economische samenwerking lijkt me iets eenvoudiger, en uiteindelijk is de EU haar leven begonnen rond een bescheiden 'gemeenschap voor kolen en staal' --- economische banden zijn dikwijls een goed startpunt voor nauwere politieke samenwerking. Persoonlijk denk ik dat Israël een belangrijke en constructieve rol zou kunnen spelen in een economisch 'Marshall-plan' voor de regio, hoewel achterdocht voor de 'West-Aziatische tijger' dit niet makkelijk zal maken.
Maar de meeste hoop stel ik persoonlijk in technisch-wetenschappelijke samenwerking op louter pragmatische basis, aangaande problemen die iedereen in de regio aangaan (verwoestijning, watertekort en verzilting van grondwater, milieuproblemen, energie, gezondheidszorg,...) Vanuit mijn 'ivoren toren' kan ik vaststellen dat zelfs in het heetst van Intifada II de 'grass roots' contacten tussen Israëlische en Palestijnse onderzoekers en technici op deze terreinen actief bleven: uiteindelijk bestaat er uit de aard der zaak een zekere 'common ground' tussen deze mensen, en trekken de problemen waar zij zich mee bezig houden zich weinig aan van de etnische of religieuze identiteit van hun slachtoffers. En natuurlijk leiden dit soort banden mettertijd quasi onvermijdelijk tot economische samenwerking. Van het één komt het ander...
Veel van de slagingskans van een eindakkoord staat of valt met het succes van de Palestijnse staat in politiek en vooral sociaal-economisch opzicht. Een kleptocratie zoals het huidige PA-bewind is gewoon een recept voor frustratie en onvrede, en een cynisch leiderschap zal dan, naar aloud recept, haat van Israël als een bliksemafleider bezigen.
Wanneer de Palestijnse bevolking echter het gevoel krijgt dat zij iets te verliezen heeft (in het bijzonder een zekere levensstandaard) bij het herbeginnen van het conflict zal zij minder vatbaar worden voor manipulatie door haar leiders, en zal mettertijd een wérkelijk 'nieuw' Midden-Oosten kunnen geboren worden.
De auteur is hoogleraar in de theoretische scheikunde aan het Weizmann-instituut in Rehovot. Meningen in dit artikel uitgedrukt zijn evenwel uitsluitend voor rekening van de schrijver.